Jeugdzorg in Heusden

Afgelopen weken heb ik al uitvoerig stil gestaan bij de nieuwe taken die gemeenten per 1 januari 2015 op hun bordje krijgen. Vorige week heb ik nog aandacht besteed aan de nieuwe Participatiewet, eerder kwam de Hulp bij de Huishouding al aan bod, dit keer de nieuwe Jeugdzorg. De nieuwe Jeugdzorg wordt in onze gemeente voor een groot deel regionaal opgepakt in de Regio Hart van Brabant. De uitgangspunten bij dat regionale beleid waren in grote lijnen al eerder vastgesteld in het Regionaal Beleidskader. Die grote lijnen zijn nu weer verder uitgewerkt in een Regionaal Uitwerkingsplan. Jeugdzorg is uiteraard een belangrijk maatschappelijk item; dat mag ook blijken uit de grote budgetten die daarmee gepaard gaan. Alleen al in Heusden gaat het om een budget van 8 miljoen, waarvan 2,5 miljoen voor lokale jeugdzorg. Dat betekent dat een bedrag van 5,5 miljoen wordt ingezet op regionaal niveau.

Wim van Engeland

Een en ander moet ook in het regionale bestuur Hart van Brabant goed geregeld worden. Er wordt nu voorgesteld om speciaal voor dit doel een bestuurscommissie in het leven te roepen. Die commissie gaat zich speciaal bezig houden met het regionale jeugdbeleid en met de gelden die daarvoor regionaal beschikbaar zijn. De wethouders met Jeugd in de portefeuille (in Heusden is dat wethouder Wim van Engeland) nemen zitting in die commissie en stellen de jaarlijkse deelbegroting voor Jeugdbeleid op. Daarvoor is dan wel een wijziging van de GR (Gemeenschappelijke Regeling) noodzakelijk. De besluitvorming in die bestuurscommissie is lang onderwerp van discussie geweest. Daarbij draait het uiteraard om de positie van de centrumgemeente Tilburg, die vanzelfsprekend het overgrote deel van het beschikbare budget inbrengt. Uiteindelijk is nu in de regeling opgenomen dat besluiten worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen. Maar daar wordt dan vervolgens weer een uitzondering op gemaakt als het gaat om wijzigingsvoorstellen van de (deel-)begroting Jeugd; in dat geval heeft Tilburg een vetorecht: Tilburg en tenminste drie andere gemeenten moeten vóór stemmen. Men spreekt daarbij van een gewogen stemming, naar mijn idee onterecht, hier is veel eerder sprake van een gekwalificeerde meerderheid, maar goed, dat terzijde. Het wordt wat lastiger als je deze regeling ziet, mede in relatie tot een andere afspraak, nl. dat ook de burgemeesters in sommige gevallen mogen meespreken. Hoe dan de besluitvorming verloopt, is niet duidelijk.

Een ander onderwerp dat bij mij vreemd overkomt is de financiële afwikkeling van tekorten of overschotten op het regionale budget. Zoals gezegd, het gaat om grote financiële belangen. De negen gemeenten storten een groot deel van hun budgetten in een regionaal fonds. Binnen dat fonds wordt 2% gereserveerd in een bestemmingsreserve, dat naar mijn idee beter een risicovoorziening genoemd zou kunnen worden. Als er overschotten zijn worden die in die reserve gestort, tekorten kunnen vanuit die reserve worden aangevuld. Na drie jaren vindt dan in principe de verrekening plaats. Blijft er van het beschikbare regionale budget geld over, dan wordt dat aan de negen gemeenten terugbetaald naar rato van de werkelijke kosten in elke gemeente. En dat lijkt me behoorlijk krom, immers naarmate een gemeente meer kosten gemaakt heeft en dus minder heeft bijgedragen aan dat overschot, krijgt men meer terug uit de regionale pot. Dat verdient naar mijn idee nog eens speciale aandacht.

De beleidsdoelen zoals geformuleerd in het regionale beleidskader zijn ook verder aangevuld. Ik citeer het raadsvoorstel:

“De beleidsdoelen uit het regionaal beleidskader richten zich te beperkt op de (lokale) inzet op veerkracht en zelfredzaamheid. Om deze goed te kunnen monitoren worden de beleidsdoelen uit het regionale beleidskader toegevoegd:

– meer jeugdigen groeien veilig en gezond op en nemen actief deel aan het sociale, economische en culturele leven;

– gezinnen zijn meer zelfredzaam en maken gebruik van het sociale netwerk bij het oplossen van opgroei- en opvoedproblemen;

– gezinnen weten waar ze terecht kunnen voor informatie, advies en ondersteuning;

– door actieve sociale participatie leveren burgers een bijdrage aan een positief opgroei- en opvoedklimaat;

– semiprofessionals in de alledaagse leefomgeving van jeugdigen weten waar ze terecht kunnen met zorgen, signalen en meldingen.”

Met deze meer concrete doelstellingen wordt het beleid ook meetbaar en op basis van deze criteria zal dan ook de monitoring gaan plaats vinden.

Drunen, vrijdag 31 oktober 2014

Kees Musters

Volg mij ook met korte berichtjes op:     www.twitter.com/keesmusters